De oliezanden van Shell

Grote olie- en gasbedrijven hebben in 2015 wereldwijd voor tientallen miljarden euro's aan nieuwe projecten geschrapt of in de ijskast gezet. Vooral de oliezanden in Canada worden hard geraakt. Het kost veel geld om de olie te winnen en het productieproces is een stuk vervuilender dan conventionele oliewinning. De toekomst van de oliezanden is onder de huidige marktomstandigheden dan ook uiterst onzeker geworden. Toch blijft Shell er honderden miljoenen euro's in investeren. Een reportage vanuit het hart van de Canadese olieregio.

 

Bert van Dijk
De Athabasca-rivier in de Canadese provincie Alberta
Fort McMoney

Het Canadese stadje Fort McMurray, dat ruim 700 kilometer ten noorden van Calgary ligt, werd een paar jaar geleden nog Fort McMoney genoemd. Dat was toen er voor een vat ruwe olie nog meer dan $100 werd betaald en de immense oliezanden in deze desolate poolomgeving olieprofessionals -  mijntruck chauffeurs, techneuten en financiële deskundigen - uit heel Canada en ver daarbuiten aantrokken.

De stad heeft het afgelopen decennium een snelle ontwikkeling doorgemaakt als gevolg van de hausse in de oliesector. Een groot aantal nieuwe wegen, een nieuwe moderne luchthaven, een ijshockeystadion in aanbouw en een bloeiende huizenmarkt; het zijn de tastbare bewijzen van de miljoenen dollars die de afgelopen jaren naar het stadje zijn toegestroomd.

Die dollars zijn geïnvesteerd in immense mijnbouwprojecten langs de oevers van de Athabasca-rivier. Daar liggen de oliezanden verspreid over een oppervlakte van meer dan 140.000 vierkante kilometer. De grond bevat op basis van huidige technieken naar schatting ruim 170 miljard vaten aan winbare olie, waarmee Canada na Saudi-Arabië en Venezuela de grootste oliereserves binnen zijn landsgrenzen heeft.

Vijfcijferige salarissen

Olie is daarmee in de komende decennia een van de belangrijkste inkomstenbronnen voor Canada en voor de provincie Alberta, dat in het westen van het land ligt en de grootste oliezanden op zijn grondgebied heeft. Canada en Alberta verdienen niet alleen uit de verkoop van het zwarte goud aan buurland Verenigde Staten en aan nieuwe groeimarkten als China, maar ook uit royalty's en belastingen van bedrijven die naar Canada zijn gekomen om de olie uit de grond te halen.

In het openluchtmuseum 'Giants of Mining' langs Highway 63 staat deze 140 meter lange graafmachine, die tot 1999 in gebruik was bij oliebedrijf Syncrude

Grote Canadese concerns als Suncor en Syncrude, maar ook het Brits-Nederlandse Shell trokken naar Canada en investeerden vele tientallen miljarden dollars in de regio Alberta. Met een olieprijs van ver boven de $100 per vat leken de bomen lange tijd tot in de hemel te groeien.

Bubbel

Oliebedrijven, waaronder Shell, investeerden miljoenen in faciliteiten voor de werknemers. Overdekte ijshockey-banen, uitgebreide menukeuzes voor lunch en diner, snel internet, satelliettelevisie, alles werd uit de kast gehaald om personeel aan te trekken. Inclusief vijfcijferige salarissen voor truckchauffeurs en techneuten. Waarom zouden werknemers anders naar deze afgelegen plek reizen, waar het kwik in de winter tot onder de veertig graden of soms zelfs 50 graden onder nul zakt?

De oliegekte legde de Canadese economie geen windeieren. De Canadese dollar steeg in de periode tussen 2002 en 2007 met 40% ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Maar zoals elke hausse, knapte ook deze zeepbel kapot. Canada kwam in een perfect storm terecht.  Een sterk gedaalde olieprijs, een afzwakkend China, getreuzel met de aanleg van nieuwe pijpleidingen en een grote afnemer – de Verenigde Staten - die door de snelle ontwikkeling van schalieolie plotseling een grote concurrent werd. Het raakte Canada allemaal tegelijk.

Bert van Dijk
De muren en fundering zijn het enige wat nog is overgebleven van een van de allereerste oliezandbedrijven: Abasand Oil Limited in Fort McMurray. Het bedrijf werd in 1936 opgericht en na twee grote branden in 1949 gesloten.
Stranded Assets

Fort McMoney is weer gewoon Fort McMurray. De bruisende atmosfeer is verdwenen, nu de olieprijs in een vrije val terecht is gekomen en in een jaar tijd met 60% is gedaald. De straten in Fort McMurray zijn nu grotendeels verlaten en de cafés missen de klandizie van jaren geleden. 'Een paar jaar geleden moest je nog reserveren om een plekje te krijgen in een restaurant. Nu kun je meteen overal terecht', vertelt Luke Killam. Hij is senior adviseur en plaatsvervangend directeur van Shell Albian Sands, de oliezandactiviteiten van het Brits-Nederlandse bedrijf op ruim 70 kilometer ten noorden van Fort McMurray.

Volgens de Canadese branchevereniging van oliebedrijven zijn er alleen al dit jaar 36.000 banen verloren gegaan in de Canadese oliesector, het meerendeel in de olieprovincie Alberta in het westen van Canada.

Horse River, waar de oliezandwinning ooit begon

Carmon Creek

Vanwege de lage olieprijs dreigt een groot deel van de oliezandreserves in Canada voor altijd in de grond te blijven zitten. Kwetsbaar zijn vooral projecten die nog niet up and running zijn, omdat ze pas rendabel zijn bij olieprijzen die tegen de $100 per vat of zelfs ver daarboven liggen. Kostenbesparingen kunnen daar een paar dollar van afschaven, maar bij een huidige olieprijs van ver onder de $40 per vat is er geen oliebedrijf die zo’n project gaat starten.

Shell staakte eind oktober zelf nog het in aanbouw zijnde miljardenproject in Carmon Creek, een oliezand even ten westen van Fort McMurray. Het was een project dat tot een productie van 80.000 vaten per dag had moeten leiden. Shell schreef er in 2015 $ 2 mrd op af.

Tim Hortons donuts

Ook trok Shell het afgelopen jaar een aanvraag in om de Pierre River-oliezanden, eveneens ten noorden van Fort McMurray, te gaan ontwikkelen. En eerder dit jaar stopte Shell al met proefboringen op zee in het Noordpoolgebied bij Alaska. Het bedrijf vond er te weinig olie en de regelgeving was er te onzeker. Het bedrijf had er tot dat moment $ 7 mrd in geïnvesteerd. De acties passen in het beleid van Shell om de kosten te verlagen nu de olieprijs laag staat en laten zien dat vooral projecten met hoge kosten, zoals de oliezanden, het meest kwetsbaar zijn en het eerst aan de beurt zijn om in de ijskast te worden gezet.

En Shell is niet het enige oliebedrijf dat investeringen in olieteerzanden terugschroeft. Ook Suncor Energy en Cenovus Energy deden dat al eerder dit jaar. De winning van olie uit nieuwe teerzandprojecten heeft een hoge break-evenprijs, de prijs van een vat olie waarboven een project winstgevend wordt. Projecten die al lopen en waarvan de kosten al genomen zijn, zoals Shells project hier in de Jackpine en Muskeg-mijnen, zijn bij een olieprijs van ongeveer $25 per vat nog renderend, maar veel verder moet de olieprijs niet zakken.

En ondertussen blijft kosten besparen het belangrijkste devies. Zo schrapte Shell al honderden banen en versoberde het bedrijf de werkomstandigheden in zijn mijnen. ‘We hebben nog nooit zoveel feedback gekregen als toen Tim Hortons zijn vestiging op onze site ging sluiten’, zegt Killam. Hortons is een beroemde en populaire koffie- en donutketen in Canada.

Highway 63

Samen met Killam rijden we deze novemberochtend van Fort McMurray naar Shell Albian Sands, de officiële naam van Shells oliezandactiviteiten in Canada. Het olieconcern is met 60% grootaandeelhouder en operator van het project. Marathon Oil Canada en Chevron Canada hebben elk ook 20% in het project, maar laten de uitvoering van het project aan Shell over.

De weg naar de zeventig kilometer noordelijk van Fort McMurray gelegen mijnen is deze ochtend goed begaanbaar. Geen sneeuw, geen regen. Over een paar weken zal een dikke deken sneeuw het landschap echter veranderen in een barre poolomgeving. Omdat Highway 63 de enige wegverbinding met de mijnen is, ontstaan er bij het minste of geringste grote files. Zoals wanneer trucks oversized apparatuur en installaties  vervoeren voor gebruik in de oliezanden en daardoor soms de volledig weg in beslag nemen en tegemoet komend verkeer dwingen door de berm te passeren.

Veel Shell-werknemers kiezen er daarom voor om niet in Fort McMurray te gaan wonen, maar in de grotere zuidelijker gelegen steden Calgary of oliestad Edmonton. Ze worden door Shell vervolgens met eigen Boeings 737 ingevlogen naar de bedrijfsluchthaven Shell Albian Aerodrome, de grootste private luchthaven van Canada, pal naast de twee oliezandmijnen.

'Onze werknemers werken dan 10 dagen op, 10 dagen af', zegt Killam. Ongeveer 40% kiest voor deze optie.

Antislipzolen

Na ongeveer drie kwartier rijden, draaien we een afslag op richting de twee mijnen van Shell. Na een paar kilometer parkeren we in Albian Village, het residentiële en administratieve hart van Shells oliezandactiviteiten. Na een uitgebreide veiligheidsbriefing krijgen de gasten een helm, veiligheidsbril en handschoenen uitgereikt. Na een kort overleg wordt besloten dat antislipzolen voor onder de schoen niet nodig zijn. Daarvoor ligt er nog te weinig sneeuw of ijs. Sterker nog, de sneeuw moet zich laten zien. Maar veiligheid is bij Shell tot in de haarvaten doorgevoerd. Zelfs op het hoofdkantoor in Den Haag is het verplicht om bij het betreden van elke trap de leuning vast te houden.

Na een dubbele check of iedereen in het busje goed is ingesnoerd, start de chauffeur de motor en rijden we weg. Een paar minuten later stoppen we bij een van de twee mijnen waar Shell de olie wint: de Jackpine-mijn.

Bert van Dijk
Jackpine Mine, AB, Canada
Waarom is oliezandwinning zo duur?

Omdat de olie in de oliezanden van Canada niet vloeibaar is, maar is vermengd met klei en zand, kan de olie niet op een conventionele manier worden gewonnen via boorputten.

In plaats daarvan vindt de winning plaats via traditionele mijnbouw. Op een groot overdekt houten uitkijkplatform hebben bezoekers een indrukwekkend uitzicht over de Jackpine-mijn. Samen met de nabijgelegen Muskeg-mijn maakt deze mijn deel uit van Shell´s 130 vierkante kilometer grote concessie in de oliezanden hier aan de oevers van de Athabasca-rivier.

Boeing 747

Nadat de toplaag van de bodem is weggegraven en opzij gelegd, graven enorme graafmachines het oliezand weg en storten het in grote monstertrucks die ogenschijnlijk kriskras door de kilometers brede open mijn slingeren. Ze halen de stukken afgegraven grond in grote brokstukken op en dumpen die in grote vermalers boven aan de mijn.

 

De Caterpillar 797, een van 's werelds grootste mijnbouwtrucks

De trucks gaan door totdat het in diameter kilometers wijde gat ongeveer 80 meter diep is. De 400 ton wegende trucks zijn de grootste ter wereld en kunnen elk voor nog eens 400 ton aan grond transporteren. Dat is hetzelfde gewicht als een vol beladen Boeing 747. Elke dag haalt Shell ongeveer een kwart miljoen vaten olie uit de bodem hier, goed voor bijna 10% van zijn wereldwijde olieproductie,

'We hebben een vloot van 69 van deze Caterpillar 797's die in onze twee mijnen rijden', zegt Killam even later in een van de twee ‘truck shops’ van Shell waar al het rijdend materiaal wordt onderhouden.

Shells truckshop waar de grote vloot van mijnbouw trucks worden onderhouden

Een ijzige wind snijdt diep door de winterkleding heen. Het geluid van de bijna $5 mln per stuk kostende Caterpillars die traag tonnen aan oliezand vervoeren, hangt als een continu geronk in de open mijn. De geur van olie dringt diep door in de neus. Het is begin november en de temperatuur overdag is gezakt tot een paar graden onder nul.

De komende maanden zal de temperatuur hier gestaag verder dalen naar 40 tot 50 graden onder het vriespunt en het landschap zal worden bedekt onder een dikke laag sneeuw. ‘Voor onze operatie hier is dat juist heel goed’, legt Killam uit. Hij geeft een rondleiding. ‘Doordat de grond dan bevroren is, rijden de trucks sneller.´

Bitumen

De door de mijnvrachtwagens gedumpte grond wordt vervolgens per kilometers lange lopende band naar een andere vermaler vervoerd die de brokstukken nog kleiner hakt. Daarna wordt het oliezand, dat nu nog bestaat uit zand, water, klei en bitumen vermengd met warm water, om de bitumen, de teerachtige substantie waar de olie later van wordt gemaakt, te scheiden.

Omdat de bitumen te stroperig is om per pijpleiding te vervoeren, wordt het goedje met oplosmiddelen vloeibaar gemaakt en per pijpleiding 500 kilometer zuidelijker gestuurd naar Shells fabriek in Edmonton.

(Schematische weergave van het productieproces van oliezandwinning. Bron: Shell)

Daar wordt van de bitumen uiteindelijk ruwe olie gemaakt, die geschikt is om te worden gebruikt in de naast gelegen raffinaderij om te worden verwerkt tot benzine of vliegtuigbrandstof. Het oplosmiddel gaat via een kleinere aparte pijpleiding vervolgens weer terug naar de mijn om opnieuw te worden gebruikt. Dit proces gaat 24 uur per dag door, 365 dagen per jaar, ook als de winter echt inzet.

Bert van Dijk
Oliezand
CO2 opvang en opslag

Voordat de olie in de raffinaderij in Edmonton kan worden verwerkt, moet de substantie daar ter plekke eerst worden voorbewerkt. Dat gebeurt in een zogenoemde 'upgrader' die Shell naast de raffinaderij heeft gebouwd. 

Omdat dat proces erg milieuvervuilend is en Shell in de toekomst verwacht dat de noodzaak om schoner te produceren alleen maar verder zal toenemen, heeft Shell een groot CO2-opvang- en opslagproject gebouwd bij de 'upgrader'. Het project, genaamd Quest is Shells eerste grote commerciële CO2-opslagproject en het eerste project wereldwijd in de oliezanden. ‘Het bouwen van CO2-opvang- en opslagprojecten is een van de grote maatregelen die we nu nemen om klimaatverandering aan te pakken’, vertelt Lorraine Mitchelmore, die verantwoordelijk is voor Shells Canadese activiteiten.

Het Quest-project in Edmonton

Shells Quest-project vlakbij Edmonton

Quest gaat elk jaar 1 miljoen ton kooldioxide (CO2) opvangen en opslaan die vrijkomt bij de verwerking van de zware olie. Dat is vergelijkbaar met de jaarlijkse CO2-uitstoot van 250.000 auto’s. De CO2 wordt permanent meer dan twee kilometer onder de grond opgeslagen.

‘De opvang en opslag van CO2 is een belangrijke technologie in de transitie naar een toekomst met minder CO2-uitstoot en in de strijd tegen klimaatverandering’, zei  Shell-bestuursvoorzitter Ben van Beurden in een toespraak bij de opening van het bijna €1 mrd kostende Quest-project even buiten Edmonton.

Het project, waarin de lokale overheid en de Canadese overheid samen bijna C$865 mln hebben geïnvesteerd (ruim €600 mln), moet een voorbeeld worden voor meer soortgelijke projecten elders in de wereld, zowel binnen Shell als daarbuiten. Een van de voorwaarden van de financiering door de Canadese overheid is dat Shell de kennis van de technologie openbaar maakt en vrij beschikbaar stelt aan andere partijen. ‘Quest is een voorbeeld voor toekomstige soortgelijke projecten in de wereld’, aldus Van Beurden.

Mondjesmaat

Met Quest loopt Shell in de voorhoede van CO2-opvang en –opslag. Dergelijke projecten vinden wereldwijd namelijk nog maar mondjesmaat plaats. In 2015 zijn er vijftien projecten operationeel. Dat aantal stijgt naar verwachting van het Global Carbon Capture Storage Institute weliswaar naar 22 in 2017, maar weerstand van milieugroeperingen en lokale bewoners, hoge kosten en een gebrek aan politieke steun houden de implementatie van de technologie beperkt.

Van Beurden hoopt niettemin dat dat de komende jaren gaat veranderen, omdat de technologie volgens hem een belangrijke bijdrage kan leveren aan de strijd tegen klimaatverandering. ‘Het Internationaal Energie Agentschap heeft berekend dat zonder deze technologie de kosten voor het halen van dezelfde emissiedoelen 138% hoger uitvallen’, zei hij.

Van Beurden zei bij de ingebruikname van de fabriek dat Shell op termijn daarmee olie uit de oliezanden net zo concurrerend wil maken als conventionele olie. Niet alleen op prijs, maar ook qua milieubelasting.

Overheidssteun essentieel

Fossiele brandstofbedrijven mogen dan steeds meer onder vuur zijn komen te liggen, voor Van Beurden staat het vast dat de groei van de wereldbevolking nu eenmaal om meer energie zal blijven vragen. Een realiteit die volgens de Shell-topman tot zijn verdriet vaak wordt vergeten.

Van Beurden spreekt zelfs van ‘demonisering’ van fossiele brandstofbedrijven. ‘Het grote publiek is gefrustreerd geraakt door het teleurstellende gebrek aan actie van overheden in de afgelopen jaren om iets aan klimaatverandering te doen. Dat heeft geleid tot grote ongerustheid en grote boosheid jegens fossiele brandstoffen.’

Maar de wereldbevolking groeit de komende decennia naar verwachting tot 9 miljard, een groei van bijna 2 miljard mensen. ‘Meer mensen gaan hun eerste auto of computer kopen. De vraag naar energie neemt naar verwachting toe’, aldus de Shell-topman.‘Het is waar dat hernieuwbare-energiebronnen een bijdrage gaan leveren aan de groeiende vraag naar energie en dat is goed, maar vanwege technische en economische redenen gaat dat niet ineens gebeuren. De wereld heeft nog decennia lang fossiele brandstoffen nodig. Daarbij hebben we te maken met de uitdaging van klimaatverandering’, aldus Van Beurden.

Daarom is volgens de Shell-topman opvang en opslag van CO2 nodig. Steun van overheden is daarbij volgens hem essentieel: ‘Op langere termijn verwacht ik effectieve, door de overheid geleide CO2-prijssystemen om opvang en opslag van CO2 breder uit te rollen.’

Maar nog geen maand nadat Shell zijn Quest-project officieel opende, moest Shell een soortgelijk project in Schotland in de ijskast zetten, nadat de Britse overheid besloot om een subsidiepot van £ 1 mrd (€ 1,4 mrd), waar het project voor in de race was, te schrappen.

Grote domper

De ontwikkeling is een forse domper voor Shells ambitie om de wereld te laten zien dat de schadelijke invloed van het gebruik van fossiele brandstoffen als olie en gas dankzij nieuwe technologieën teruggedrongen kan worden. ‘Shell is teleurgesteld over het terugtrekken van de financiering’, zo liet het bedrijf in een reactie weten. ‘Zonder deze financiering zien we voorlopig geen toekomst voor het project.’

Ook in Nederland is de technologie omstreden. Pogingen van Shell om in Barendrecht CO2 ondergronds op te slaan stuitten op ongekende weerstand, waarna het project in 2010 werd afgeblazen. Sindsdien vindt er in Nederland geen CO2-opslag op land plaats. Maar de technologie is nog niet van de baan. Het ministerie van Economische Zaken meldde in een interne presentatie in februari van dit jaar nog: ‘CCS ("carbon capture storage", red.) komt eraan. Zeker in 2030, mogelijk eerder’ en in het Energieakkoord wordt deze techniek ‘onvermijdelijk’ genoemd.

‘Road’ in Rotterdam, dat jaarlijks 1 miljoen ton CO2 van een nieuwe elektriciteitscentrale wil gaan opslaan, is het meest ambitieuze project. Maar een definitieve investeringsbeslissing voor dat project van Engie (het voormalige GDF Suez) en Eon is nog niet genomen.

Compensatiemeren

Terug naar Canada. Naar de oliezanden.

Bij het verwerken van de bitumen uit de oliezanden tot ruwe olie wordt aanzienlijk meer CO2 uitgestoten dan bij conventionele oliewinning. De CO2 -uitstoot van de oliezanden is de snelst groeiende bron van CO2 -uitstoot in Canada. Bovendien worden duizenden vierkante kilometers poolbos gekapt en grond afgegraven.

Milieugroepen wereldwijd zien de oliezanden daarom het liefst voor altijd onaangeroerd. CO2-opslag, zoals Shell bepleit, is volgens hen niet de oplossing. Aankondigingen van oliebedrijven om investeringen in oliezanden te schrappen klinken hen dan ook als muziek in de oren.

Compensatiemeren

Toch nemen grote olieconcerns als Shell wel degelijk maatregelen om de impact op het milieu zo minimaal te houden. Lokale overheden geven alleen mijnconcessies uit als bedrijven zich verplichten om het gebied uiteindelijk weer in originele staat achter te laten.

Zo bewaart Shell de toplaag die wordt afgegraven om deze later te kunnen terugplaatsen met de originele begroeiing en plantensoorten erop en nieuw geplante bomen. Ook recyclet het bedrijf naar eigen zeggen 80% — over een aantal jaar zelfs 100% — van zijn water en komt er volgens het bedrijf geen druppel afvalwater in de Athabasca-rivier terecht. Om de onttrekking van grondwater te compenseren heeft Shell twee compensatiemeren aangelegd, waar de natuur met rust wordt gelaten.

 

Colin Ashton, die verantwoordelijk is voor de technische uitvoering van de activiteiten in de twee mijnen beseft dat het grootste visuele effect van de oliezanden het tijdelijk gebruik van het land is. ‘Maar ik vertel iedereen die me er vragen over stelt dat we op een sociaal verantwoorde manier voldoen aan een groeiende energievraag in de wereld. We lenen dit stuk grond en geven het uiteindelijk op een verantwoorde manier weer terug.’

Met dit soort 'vogelverschrikkers' houdt Shell vogels op afstand, die anders mogelijk zouden neerstrijken in grote speciaal aangelegde meren, waar olierestanten in worden gepompt.

KeystoneXL

Hoe milieubewust Shell ook bezig is, de druk van de buitenwereld neemt steeds verder toe. Het bedrijf had zijn Quest-project nog niet geopend of de nieuw aangetreden centrumlinkse regering liet al weten soortgelijke toekomstige projecten niet meer te willen financieren. Bovendien introduceerde de nieuwe minister van energie striktere regels voor de uitstoot van CO2.

En tot overmaat van ramp zette de Amerikaanse president Barack Obama het afgelopen jaar een definitieve streep door de plannen voor uitbreiding van een belangrijke pijpleiding, Keystone, die olie vanuit de Canadese teerzanden naar de Amerikaanse golfkust zou moeten brengen. De uitspraak van de president is een belangrijke overwinning voor de milieubeweging die vreesde voor extra vervuiling.

‘Keystone was een van de pijplijnen waar we naar keken om onze energie naar de wereldmarkt te krijgen’, zei een teleurgestelde Lorraine Mitchelmore, hoofd van Shell’s Canadese activiteiten kort na het bekend worden van het nieuws.

Van Beurden schrijft het afblazen door de Amerikaanse president Obama van het grote oliepijpleiding project KeystoneXL dat olie vanuit de Canadese oliezanden naar de VS zou moeten brengen, mede toe aan de groeiende boosheid en frustratie van het grote publiek.

De commentaren in Canadese kranten gingen nog een aantal stappen verder. Zo vond de National Post dat Obama Canada heeft verraden om zelf goede sier te maken eind deze maand in Parijs. De krant noemde het besluit hypocriet, omdat Obama wel Iran steunt om meer olie op de markt te brengen. Bovendien gaat het milieuargument van de president volgens de Post ook niet op, omdat er nu meer olie via het spoor naar de VS zal worden getransporteerd, wat volgens de krant veel vervuilender is dan transport via pijplijnen.

Over het $8 mrd kostende Keystone XL werd al zeven jaar gesteggeld. Milieugroepen waren fel gekant tegen de pijplijn, terwijl binnen de Democraten verschillend werd gedacht over de noodzaak van het project.

Onzekere toekomst

2016 wordt voor Shell een cruciaal jaar. Het bedrijf moet de overname van het Britse BG Group gaan verteren in een tijd waarin - ook volgens Van Beurden zelf - olieprijzen langere tijd laag zullen blijven. Dat vereist extreme kostendiscipline. Ook in 2016 zal Shell zijn wereldwijde portefeuille van olie- en gasactiviteiten tegen het licht blijven houden.

De oliezandactiviteiten rond de twee mijnen ten noorden van Fort McMurray hebben ondanks de stevige tegenwind in het afgelopen jaar stand gehouden, maar tegenslag na tegenslag na tegenslag hebben de toekomst van Shells oliezanden uiterst onzeker gemaakt.

Het FD heeft voor de totstandkoming van deze productie deelgenomen aan een persreis, op kosten van Shell. Dit bedrijf heeft geen invloed op de inhoud van deze productie.

Bert van Dijk
Het complex van Syncrude langs Highway 63
Powered by  Jumpstart Georgia